Top 100 Atletiek – in België (mannen)

4 oktober 2026

Roelants, Puttemans, Moens en 97 anderen

 

door Kees Sluys

 

Goed idee natuurlijk: bij het naderen van anderhalve eeuw Belgische atletiek een boek samenstellen over de 100 belangrijkste Belgische atleten (vrouwen komen, zo wordt bezweerd, later ook aan bod). In een rangorde van 100 t/m 1. Honderd beknopte verhalen dus van twee, soms vier pagina’s per persoon. Oud-VRT-commentator Ivan Sonck en atletiekkenner Patrick Audenaert namen deze even dankbare als bijna onuitvoerbare taak op zich. Waarbij overigens niet alleen al die prachtige prestaties uit het verleden de revue passeren, ‘het schenkt ook aandacht aan de mens achter de atleet’.

 

Hollandse afgunst

De hoogste ereplaats is toegekend aan Gaston Roelants. Een zeer grote naam ook voor de iets oudere Nederlandse atletiekliefhebber. Uitmuntende representant van de steeplechase en de lange afstand tot en met de marathon, veldlopen en het werelduurrecord (dat hem in 1975 door Jos Hermens afhandig werd gemaakt). Zilver bij de OS in Rome 1960 op de steeplechase, goud in Tokio vier jaar later in 8.30.8. Dit, misschien nuttig om te memoreren, in een periode waarin het nog geen Nederlandse atleet was gelukt om de 9.00.0 ook maar te benaderen. Roelants, de ultieme alleskunner.

Nederland keek in die jaren wel vaker met enige afgunst naar de zuiderburen. Neem Roger Moens, op de derde plek en met recht. Hij, in een later leven hoofd van de Belgische tak van Interpol, verbeterde anno 1955 in het Bislett-stadion het vooroorlogse (1939) wereldrecord van Rudolf Harbig op de 800 meter (1.46.6)

tot 1.45.7. Onvergelijkbaar veel beter dan wat hier te lande werd gepresteerd. Pas in 1960 brak Henk Heida met 1.49.8 de 1.50.0 grens.

Aan Moens kleeft het ‘Rome’-drama. Hij, de grote favoriet, moest bij de Olympische Spelen van 1960 in de laatste meters onverwacht zijn meerdere erkennen in de 21-jarige Nieuw-Zeelandse sensatie Peter Snell, getraind door de vermaarde Arthur Lydiard. Het trauma schiep wel een band, zo lezen we: ‘… en wanneer (Snell) vier decennia later tot Nieuw-Zeelandse sportman van de eeuw wordt verkozen, is Moens eregast tijdens een tv-programma in Wellington.’

Het duurt tot 1975 eer er een nieuw 800 (en 1500) meterfenomeen opstaat. Ivo Van Damme verbetert Moens’ record via 1.45.6 naar 1.45.3. Op de Olympische Spelen van Montreal in 1976 verovert hij (22 jaar) zilver in 1.43.86, achter het Cubaanse dubbeltalent ‘El caballo’ Alberto Juantorena. Een paar dagen daarna grijpt hij ook nog zilver op de 1500 meter. Maar dan. Enkele maanden later verongelukt de grote Belgische hoop bij een aanrijding in Zuid-Frankrijk na afloop van een trainingsstage.

Van Damme staat in het boek als zevende geklasseerd. Er is veel gespeculeerd over wat hij allemaal nog had kunnen presteren, maar dat is aan de auteurs niet besteed. ‘We hebben ons niet in de toekomst verplaatst. Het was wat het was. Wat mogelijk in het verschiet lag of ligt, is niet relevant. Ivo Van Damme had talent zat, misschien was hij wel wereldrecordhouder geworden, maar dergelijke hypotheses hebben we niet meegenomen in ons oordeel.’

 

Veelzijdige langeafstanders

België was en is een lopersland. Het boek telt zo’n 30 atleten van de lange afstand. In hoofdstukken waarin ook Wim Slijkhuis, Jos Hermens en Gerard Nijboer en passant worden genoemd. Maar liefst zeven van hen hebben de top 10 gehaald. Naast Roelants zijn dat Miel Puttemans en Karel Lismont (uit de gouden periode van eind jaren zestig tot de jaren tachtig), Gaston Reiff, Bashir Abdi, Mohammed Mourit en Vincent Rousseau.

Ja, Puttemans (op plek 2), ook zo’n atleet die gedurende lange tijd op alle langere afstanden internationaal excelleerde. Zilver achter de onverslaanbare Lasse Viren op de olympische 10.000 meter in München 1972. Ex-wereldrecordhouder op de 3000 en 5000 meter. Gigantisch palmares.

Ja, Reiff (plek 5), ook zo’n veelzijdige. Concurrent van Slijkhuis en Zatopek, de Tsjech die in 1948 de olympische titel op de 5000 meter aan de Belg moest laten. Anno 1950 is hij, zo lezen we, nationaal recordhouder ‘op alle afstanden van de 1000 meter tot de 10.000 meter. Ongezien.’

   

Opvallend goed vertegenwoordigd in de ranglijst is ook het aantal 400 meter lopers, zo’n tiental. Met de hele familie Borlée, vader Jacques incluis (plaats 84). Europees kampioen van 2010 Kevin Borlée staat van hen op nummer 9 het hoogst genoteerd. Fons Brijdenbach, Alexander Doom en Jonathan Borlée zitten daar maar kort achter. In het stuk over Doom (pr 44.15 – ‘slechts één blanke atleet was ooit sneller, namelijk de Amerikaan Jeremy Wariner’) wordt trouwens tussen neus en lippen door gerept van ‘de zoals altijd zwaar overschatte gemengde estafette’. Een observatie waarmee ondergetekende alleen maar kan instemmen.  

 

België lopersland. Jazeker, maar op de sprint was het doorgaans karig gesteld. Niettemin kon iemand als Patrick Stevens (15e plek) bogen op mooie resultaten. Als enige blanke atleet in de finale van de olympische 200 meter in Atlanta waar Michael Johnson die fameuze 19.32 scoorde. Stevens eindigde als zevende in 20.27. Kennelijk een populaire figuur. Zo lezen we dat hij ‘ook in het (society)nieuws kwam als partner van de Britse gewezen olympisch kampioene zevenkamp Denise Lewis en later van tweevoudig wereldkampioene verspringen Fiona May, een Britse die in Italië woont.’

   

Matige veldnummers

‘In de veldnummers heeft België van oudsher niet veel te bieden,’ lezen we op pagina 10. Maar uiteraard ontbreken ze niet, zij het meestal te vinden in de lagere regionen. Als we Ronald Desruelles (verspringer met een pr van 8.08 meter, maar bovenal indoor-sprinter) op plek 18 buiten beschouwing laten, zien we als beste veldatleet hoogspringer Eddy Annys (pr: 2.36!) staan op de 19e plaats. Hij verkeerde in het unieke jaren ’80-gezelschap van Dietmar Mögenburg, Carlo Tränhardt, Zhu Jianhua, Igor Paklin en Patrick Sjöberg: ‘Een betere generatie hoogspringers is er niet geweest, hoewel sommigen een drankje niet afslaan en evenmin een sigaretje op zijn tijd versmaden.’

Goede werpers waren in al die jaren ook dungezaaid. Neem Georges Schroeder (plek 94) die nog altijd het nationale record kogelstoten in bezit heeft: 19.34 uit 1976. Maar doet Nederland het beter? Wat kogel en discus betreft zeker, maar qua speerwerpen allerminst. Het Belgische record staat sinds 2023 met 87.35 meter op naam van Timothy Herman (plek 72). Weliswaar gerealiseerd op 1800 meter hoogte in Nairobi, niettemin.

 

De lijst telt ook een viertal tienkampers. Op plek 99 vinden we Roger Lespagnard, de man die eind jaren zestig, begin jaren zeventig op redelijk niveau actief was en jarenlang coach van Nafi Thiam. Op 65 zijn tijdgenoot Freddy Herbrand, op 28 Europees kampioen 2016 (’de concurrentie is evenwel matig tot zwak’) Thomas Van Der Plaetsen. En op 26 Hans Van Alphen, sinds 2012 nationaal recordhouder met 8519 punten en vierde bij de olympische Spelen van Londen 2012.

 

Boven: vlnr vijf Belgische olympische medaillewinnaars: Ivo Van Damme, Roger Moens, Gaston Roelants, Miel Puttemans en Karel Lismont

Onder: één van de vele succesformaties van de Belgische 4 x 400 meter

 Ivo Van Damme

Jacques Borlée staat op plek 84

 

Een Nederlandse Top 100?

Zo’n boek zou – in de huidige gloriejaren van de Nederlandse atletiek – natuurlijk ook hier zeer welkom zijn. Maar we hebben toch al de Canon van de Nederlandse atletiek, die in 2022 uitkwam?

Zeker. Maar die is anders van opzet. Daarin worden, naast diverse ontwikkelingen, een aantal grote atleten en atletes in historische volgorde behandeld – dus zonder een rangorde aan te brengen.

De Top 100 Atletiek – in Nederland (mannen) dus. Wie laat zich verleiden door deze heerlijke uitdaging? En wie komt er op nummer 1 te staan? Lastig. Nederland is net als België een lopersland. Dus een loper? Maar wie dan? Een langeafstander als Gerard Nijboer? Een sprinter als Churandy Martina? Of toch een veldatleet? In dat geval komt de onlangs ontslagen topsportcoördinator van de Vlaamse Atletiekliga Rutger Smith zonder twijfel een heel eind in de richting.