Jesse Owens was zijn tijd ver vooruit

19 juni 2026

door Bert Vreeswijk

 

Soms zit ik weleens te mijmeren en denk ik: wat is er sinds Jesse Owens, de snelle getinte Amerikaanse sprinter uit eind jaren dertig, veranderd op de sprint? En zou Owens zich, met de huidige innovatieve ontwikkelingen, hebben kunnen meten met de wereldtop op de sprint van nu? Was deze Amerikaanse atleet, geboren onder de naam James Cleveland (roepnaam J.C.) in september 1913 in Alabama zijn tijd niet ver vooruit? Al die vragen speelden door mijn hoofd.

In elk geval moet Jesse Owens zonder enige twijfel een bijzonder getalenteerde sprinter zijn geweest. Hij had zoals in de geschiedenisboeken valt te lezen de bijnaam ‘The Buckeye Bullet’ wegens zijn uitzonderlijke explosiviteit en snelheid. Hij was het die de wereld deed verbazen door op het koningsnummer tijdens de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 de 100 meter af te leggen in een handtijd van 10,3 seconden en daarmee de olympische titel voor zich op te eisen. Dit alles voor de ogen en tot groot verdriet van Adolf Hitler (maar wel het meest effectieve antwoord op diens verwerpelijke Arische rassentheorie!). De uitslag van deze historische finale zag er verder als volgt uit: het zilver was voor zijn landgenoot Ralph Metcalfe in 10,4 sec. en het brons ging naar, jawel, de Nederlander Tinus Osendarp in 10,5 sec.! Vierde werd de Amerikaan Frank Wykoff in 10,6 sec., als vijfde eindigde de Duitser Erich Borchmeyer in 10,7 sec. en de Zweed Lennart Strandberg finishte als zesde in 10,9 sec. (zie foto 1) Naast de winst op de 100 meter, verbaasde Owens op deze Spelen in Berlijn vriend en vijand, want hij won ook de 200 meter (zie foto 2) met een olympisch record van 20,7 sec. (op deze afstand bemachtigde Tinus Osendarp wederom het brons!). Ook  het verspringen was met een sprong van 8.06 meter een prooi voor Owens. En of dat alles nog niet genoeg was won hij als startloper met het Amerikaanse 4 x 100 m. estafette team (zie foto 3) in een tijd van 39,8 sec. ook zijn vierde olympische medaille in Berlijn. Hij kreeg door zijn uitzonderlijke prestaties van de internationale pers dan ook de bijnaam ‘The King of the Track’.

De 100 meter finale op de Olympische Spelen van Berlijn in 1936. Jesse Owens doorbreekt als eerste de finishlijn, op ruime afstand gevolgd door zijn landgenoot Ralph Metcalfe en als 3e met zwarte broek Tinus Osendarp

Jesse Owens hier in weergaloze stijl op de sintelbaan tijdens de 200 meter op de O.S in Berlijn 1936

Het winnende 4 x 100 meter estafetteteam van Amerika op de O.S. van Berlijn, 1936 (39,8 sec.) v.l.n.r. Owens, Metcalfe, Draper en Wykoff


Zou Jesse Owens zich hebben kunnen meten met de huidige wereldtopsprinters?

Net als ik zullen vele atletiekliefhebbers zich ongetwijfeld wel eens hebben afgevraagd waartoe Jesse Owens in de huidige tijd in staat zou zijn geweest op de sprint. Als je kijkt naar de huidige topsprinters op de 100 meter, dan zien we op de meest recente mondiale wereldranglijst de jonge (19) sprinter Busang Collen Kebinatshipi uit Botswana met een tijd van 9,89 sec., op 1/100 gevolgd door de Jamaicaan Bryan Levell met 9.90 sec. De officiële top 5 snelste sprinters allertijden van World Athletics ziet er als volgt uit:

 

De 100 meter sprint van start tot finish in de tijd van Jesse Owens versus de sprintkanonnen in de huidige tijd

Als we de 100 meter uit de tijd van Owens vergelijken met de omstandigheden waarbij atleten tegenwoordig hun sprintprestaties leveren, dan zien we dat er door verschillende innovatieve ontwikkelingen een aantal belangrijke verschillen zijn ontstaan die moeilijk met elkaar te vergelijken zijn. Toch hebben diverse wetenschappers zich ook de vraag gesteld (2) waar Owens toe in staat zou zijn geweest als hij in de huidige tijd zijn prestaties had kunnen leveren. En of hij zich wellicht had kunnen meten met de beste sprinters van nu. We zullen de belangrijkste verschillen onder de loep nemen waaronder de sprinters in het verleden en in de huidige tijd hun prestaties hebben geleverd.

 

‘Als Jesse Owens destijds op exact dezelfde ondergrond en met dezelfde materialen als Usain Bolt had gelopen zou hij niet meters achterop zijn geraakt, maar binnen een enkele pas van hem zijn gefinisht’

Onderzoeker/wetenschapper David Epstein (2)

       

Handmatige tijden versus elektronische tijden

De handgeklokte tijden op de sprint werden vroeger, tot eind 1976, door juryleden met een stopwatch uitgevoerd. Bij het realiseren van eventuele wereldrecords werden deze tot dan toe nog erkend. Vanaf begin januari 1977 werden de reglementen aangepast en werden wereldrecords door de IAAF (tegenwoordig World Athletics) alleen erkend als de tijden elektronisch zijn bepaald. Voor die tijd werden er al wel vele try-outs gedaan met de elektronische tijdwaarneming, maar pas in 1968, tijdens de Olympische Spelen van Mexico, werd het zogenaamde Full Automatic Timing System (FAT)  officieel door de IAAF ingevoerd. Dit tijdregistratiesysteem legde de tijd vast tot op 1/100 van een seconde en gold vanaf toen voor de sprintonderdelen tot en met de 400 meter om de uitslagen en records vast te leggen.

 

Handtijden zijn 0,24 sneller dan elektronische tijden

Deze verandering in de tijdsregistratie had wel de nodige (nadelige) gevolgen voor de atleten, omdat dit een standaard-tijdcorrectie vereiste van 0,24 sec. Dit om de ‘werkelijk gelopen tijd’ te bepalen en wel om de volgende reden. Bij handgeklokte tijden zat de ‘jury tijd’ en ‘jury aankomst’ aan de finishlijn op de jurytrappen (zie foto 2). Zodra de starter het sein ‘Op uw plaatsen’ gaf namen de atleten hun startposities in. Als alle atleten stil zaten gaf de starter het commando ‘klaar’, waarop de atleten zich oprichtten tot het startschot viel en de atleten uit de blokken schoten. Bij handgeklokte tijden reageerde de ‘jury tijd’ echter met het indrukken van hun stopwatches op het moment dat zij het ‘rookpluimpje’ van het startpistool zagen. Het waarnemen van het rookpluimpje en als reactie daarop de stopwatch indrukken koste reactietijd – maar dan waren de atleten inmiddels al gestart! Met als gevolg dat atleten handgeklokt altijd een snellere tijd kregen toebedeeld dan nu met elektronische tijdwaarneming het geval is. Dit had tot gevolg dat atleten met handtijden hun tijd moesten bijstellen met ‘plus’ 0.24 sec. om hun werkelijk gelopen elektronische tijd te berekenen. Dit betekent dat Jesse Owens geen 10.3 sec. liep in Berlijn maar 10.54 seconden. 

                      

De moderne elektronische verstelbare startblokken geven de atleten de mogelijkheid om in een persoonlijke perfecte startpositie en met voorspanning explosief uit de blokken te komen

Kuiltje graven versus startblokken

Jesse Owens startte anno 1936 niet uit startblok zoals we dat tegenwoordig kennen. (zie foto 4) De startblokken van tegenwoordig zijn elektrisch aangesloten en verbonden met het startpistool van de starter. ‘In het schot vallen’, zoals vroeger regelmatig gebeurde (soms met opzet om er voordeel mee te behalen) is heden ten dage niet meer mogelijk. Als een atleet binnen 0,100 seconde na het startschot vertrekt, registreren de aanwezige druksensoren in het startblok dit direct en geven aan dat er sprake is van een valse start; waarna een diskwalificatie van de atleet volgt. Owens had in zijn tijd niet eens de beschikking over een startblok! In zijn tijd groeven de atleten met een tuinschepje, dat de atleten verplicht bij zich moesten hebben, tijdens de wedstrijden twee kuiltjes in de sintelbaan en plaatsten daar hun voeten in om bij de start af te kunnen zetten.


Biomechanisch onderzoek

Biomechanisch onderzoek en wetenschappelijke analyses (2) hebben aangetoond dat Owens vanuit een startblok 0,1 tot 0,2 sneller had kunnen lopen. Bij het gebruik van elektronische tijdwaarneming is er bovendien bij de finish een elektronisch oog dat de tijden van atleten registreert, zodra ze hun borst door de finishlijn drukken (ik kan mij als jurylid nog goed herinneren dat als je op de jurytrap zat en de eerste atleet door de finish kwam het klikken van de stopwatches door juryleden vrijwel nooit gelijktijdig gebeurde. Het was echt een beetje natte vingerwerk). Tegenwoordig is er bij topwedstrijden ook nog de fotofinish en met de elektronische registratie aan de finish kunnen inmiddels zelfs de tijden tot op 1/1000 ste van een seconde worden bepaald.

         

Kolengruis en sintels versus kunststofbanen

In de tijd dat Owens zijn hoogtijdagen vierde, bestonden de atletiekbanen uit een samenstelling van gemalen steenkoolsintels, vermengd met fijngemalen as en klei. De eigenschappen van zo’n sintelbaan leverde een vrij zachte en losse ondergrond, met als gevolg dat de afzetenergie van de atleten door de grond werd geabsorbeerd. Vooral bij regenachtig weer was de bovenlaag van de sintelbaan papperig en liep de baan voelbaar zwaar. Bij droog weer was de baanstructuur erg los en woelden de atleten met de toen gebruikelijk 6 erg lange scherpe spikespunten van staal (deze waren wel 15 mm. of langer!) de gaten in de baan om goed grip te krijgen.

 

De kunststof-atletiekbanen

De moderne gegoten harde kunststof atletiekbanen zijn gemaakt van een combinatie van een flexibele kunststof. Zo is Regopol een bekend Duits fabricaat, ook wel Tartan genaamd. Verder produceert het bekende Italiaanse bedrijf Mondo geprefabriceerde Mondo-atletiekbanen. Dit product staat bekent als de ‘Rolls-Royce’ onder de atletiekbanen. Waarop Dafne Schippers bijvoorbeeld tijdens de wereldkampioenschappen van 2015 in Beijing haar supertijden liet noteren op de 100 meter (10.81 sec.) en 200 meter (21.63 sec. tevens Europees record). Deze kunststofbanen hebben een weersbestendige toplaag, die speciaal ontworpen is om tijdens de landing de energieschokken op te vangen (potentiële elastische energie) tijdens het lopen en deze energie ook weer te retourneren aan de atleet (kinetische energie of bewegingsenergie). Analytici en wetenschappers hebben berekend dat Jesse Owens, als hij op zo’n moderne kunststofbaan had kunnen lopen, zijn beste 100 meter tijd minstens 0,2 tot 0,4 seconden sneller had kunnen afleggen!

 

Owens’ leren spikes versus de innovatieve spikes       

De wedstrijdspikes die Owens droeg in Berlijn waren met de hand gemaakt door de Duitser Adolf Dassler (roepnaam Adi) die samen met zijn broer Rudolf de ‘Schuhfabrik Gebrüder Dassler’ runde (later door onenigheid opgesplitst in de merken Adidas en Puma.) De door dit bedrijf geproduceerde spikes waren van leer en voorzien van zes stalen spikespunten in de zool, die tot wel 15 millimeter bedroegen en iets naar buiten werden geplaats om goed grip te kunnen krijgen op de sintelbaan. Het gewicht van zijn spikes bedroeg rond de 250 tot 300 gram en bij nat weer, als het leer vocht opnam, zelfs nog zwaarder. Dit in tegenstelling tot de moderne synthetische super-lichtgewicht spikes van 140 tot 180 gram met in de zool een veerkrachtige carbonlamel verwerkt. Die tijdens het grondcontact bij de landing de energie opslaat en deze bij de afwikkeling van de voet weer retourneert naar de atleet. De spikes hebben zes tot acht piramidevormige spikepuntjes per schoen in de zool, die reglementair niet langer mogen zijn dan zes millimeter (dit om de baan niet te beschadigen). Om meer tractie te verkrijgen met het baanoppervlak zijn er verder in de zool nog een aantal vaste kunststof matrix-tandjes aan gebracht. Ook deze aspecten leveren volgens de experts belangrijke tijdwinst op voor de huidige atleten, die wel tot wel 0,2 tot 0,3 seconden kan bedragen (al willen de atleten dit veelal liever niet horen!). Al deze belangrijke voordelen moest Jesse Owens in zijn tijd ontberen.

                          

Complex van factoren            

Ongetwijfeld zullen de tegenwoordig geproduceerde sprintspikes dan ook in zijn algemeenheid van invloed zijn geweest op de progressie in de sprintnummers. Wereldrecordhouder op de 100 meter en 200 meter Usain Bolt heeft daar op persoonlijke titel eens duidelijk over gezegd: Op de tegenwoordig ontwikkelde innovatieve spikes was 9.50 sec. voor mij mogelijk geweest, daar ben ik heilig van overtuigd!

Helaas zullen we daar nooit achter komen. En natuurlijk zijn er zoveel andere aspecten die van invloed kunnen zijn geweest op de progressie in de sprint, zoals: optimaal windvoordeel, aerodynamische kleding, kennis over voeding, de medische verzorging, psychologische begeleiding en een optimale inzet van de moderne trainingsleer en trainingsmethoden, naast de professionelere begeleiding. Al deze aspecten hebben zeker een rol gespeeld in de progressie op de sprintdiscipline.

                          

De hamvraag en resumé

Als we alle plussen en minnen van de data en cijfers betreffende Owens’ sprinttijden vergelijken met de huidige wereldsprinttop, wat is dan de conclusie? Wetenschapper David Epstein (2) is stellig. Biologische analyses van de gewrichtssnelheid van Owens laten zien dat als hij op dezelfde moderne elastische kunststofbaan, mét startblokken en de moderne spikes met carbonplaat en verend foam, niet ruim vier meter achter zou liggen op Usain Bolts supertijd (9.58 sec.) van 2009 te Berlijn, maar dat hij slechts binnen één paslengte van hem zou zijn gefinisht en dat hem een tijd van rond 9.65-9.75 seconden zou hebben opgeleverd. Daarmee zou Owens een geduchte concurrent zijn geweest voor de nu nog actieve sprinters, zoals bijvoorbeeld de Jamaicanen Kishane Thompson, 9,75 sec. (2025) en Oblique Seville, 9,77 sec. (2025) of de Amerikaan Noah Lyles, 9.79 sec., de olympisch kampioen van Parijs 2024. Owens zou zich volgens David Epstein mogelijk hebben kunnen meten met deze topsprinters en hebben kunnen strijden om de medailles!  

Ik realiseer mij terdege dat dit alles natuurlijk wel enigszins speculatief is. Daarom is verder onderzoek wenselijk. Veel aspecten en vragen aangaande de sprintprogressie en of de veel te vroeg gestopte 3 (op zijn 23ste) superatleet Jesse Owens, werkelijk tot de hem toegedichte prestaties had kunnen komen in de huidige tijd, blijven daarom voor ons vooralsnog een groot vraagteken.

                                  

Bronvermelding en geraadpleegde literatuur:

1) De gebruikte foto’s komen uit het Finse historische atletiekboek met als titel Huippu Urheilun, vrij vertaald: hoogtepunten uit de topsport, geschreven door Martti Jukola, Uitgever Werner Söderstrom, Porvo, Helsinki, 1949

2) Epstein, D., The Sports Gene, Inside the Science of Extraordinary Athletic Performance, New York Times, 2014